College voor zorgverzekeringen.
Directe link naar zoek. Directe link naar navigatie.
AWBZ en Wmo
Door de Wmo zijn gemeenten verantwoordelijk voor activiteiten die het mensen mogelijk maken om mee te doen in de samenleving. Dat kan gaan om vrijwilligerswerk maar ook om huishoudelijke hulp. De Wmo is aanvullend op andere wetten. Dat betekent dat de aanspraak op de AWBZ voorgaat.
Het Bza en de Wmo hebben beide een bepaling (in artikel 2) dat als er een voorziening mogelijk is op grond van een andere wettelijke regeling, er geen aanspraak bestaat. In dit geval gaat de bepaling in de Wmo vóór omdat dit een formele wet is en het Bza een Algemene maatregel van bestuur. Een voorbeeld: de gemeente moet het voor burgers mogelijk maken zich te verplaatsen in en om de woning (bijvoorbeeld met een rolstoel), en zich locaal te verplaatsen (sociaal vervoer, scootmobiel, etc.). Wanneer dus de verzekerde geen aanspraak heeft op artikel 15 Bza, krijgt hij zijn rolstoel van de gemeente.
Als de verzekerde op AWBZ-zorg is aangewezen gaat de aanspraak op de AWBZ
voor op de Wmo. Uiteraard geldt dit alleen voor zorg die tot de AWBZ-aanspraken
behoort.
Maar als de gemeente bepaalde zorg niet biedt, betekent dat niet dat de
aanspraak op AWBZ-zorg groter wordt.
Veranderde situatie rolstoel en vervoer Wvg-Wmo
In de vroegere Wvg was bepaald dat de Wvg niet gold voor mensen die in een AWBZ-instelling verbleven. De regeling sociaal vervoer regelde dat het sociaal vervoer wél ten laste van de Wvg kwam, evenals de verstrekking van rolstoelen als de verzekerde daarop geen aanspraak had op grond van de AWBZ (artikel 15 Bza). Op grond van de Wvg hadden bewoners van AWBZ-instellingen die frequent naar een thuissituatie reisden, ook recht op het bezoekbaar maken van die woning.
Gemeenten bieden waarschijnlijk in hun verordening deze voorzieningen ook onder de Wmo. Mocht dat niet het geval zijn, betekent dat niet dat sociaal vervoer, gebruik van een rolstoel of het bezoekbaar maken van de thuissituatie ten laste van de AWBZ komt.
Negen prestatievelden in de Wmo
In de Wmo zijn de Wvg, de Welzijnswet en het onderdeel huishoudelijke verzorging uit de AWBZ samengebracht. In de Wmo zijn negen zogeheten prestatievelden geformuleerd. Zij vormen het begrip ‘maatschappelijke ondersteuning’ (artikel 1g). De wet geeft de kaders aan waarin elke gemeente haar eigen beleid kan maken.
Gemeenten zijn verplicht burgers met beperkingen en specifieke psychische- of psychosociale problemen te compenseren door voorzieningen te treffen. Denk aan maatschappelijk werk, een buurthuis, woonvoorzieningen, etc.
Ondersteuning mantelzorg
Het ondersteunen van mantelzorgers (begeleiding bij het aanvragen van voorzieningen, lotgenotencontact e.d.) is een taak van gemeenten. De directe zorg is echter AWBZ-zorg.
Structureren van het huishouden
Het (leren) structureren en organiseren van het huishouden is AWBZ-zorg als de verzekerde het huishouden zelf kan uitvoeren, maar daarbij ondersteuning nodig heeft. Als het huishouden moet worden overgenomen is de organisatie daarvan onderdeel van de Wmo.
Bemoeizorg, motiveren voor behandeling
De Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ) is het terrein van de
gemeente. Een onderdeel hiervan is bemoeizorg: het bereiken en begeleiden van
kwetsbare personen.
Ook het ‘toeleiden’ naar zorg valt onder bemoeizorg. Dit is het signaleren,
opsporen en contact leggen (en houden) met mensen die zorg nodig hebben maar dit
niet vragen vanwege de aard van hun problematiek of eerdere ervaringen met het
zorgaanbod. Op het moment dat iemand zorg vraagt en accepteert kan reguliere
AWBZ-zorg worden ingezet.
Wel zorg vragen, geen behandeling willen
Het CVZ heeft in indicatiegeschillen uitgesproken dat er geen sprake is van
inzet van AWBZ-zorg als de verzekerde de aanwezige behandelmogelijkheden niet
wil benutten. Het ongebruikt laten ervan komt dan volledig voor rekening van
verzekerde zelf.
Dit kan anders zijn wanneer iemand zich vanwege psychiatrische problematiek geen
goed oordeel kan vormen. Een minimale zorginzet is dan mogelijk om te voorkomen
dat iemand aan zijn lot wordt overgelaten.
Het CIZ kan een besluit nemen een indicatie afgeven voor begeleiding, in het
kader van hun integrale indicatiestelling. De begeleiding is erop gericht de
verzekerde te motiveren voor behandeling en is voor een beperkte periode (bv.
één jaar).
Deze pagina is geactualiseerd op: 22 augustus 2011

